Half België loopt met een smartphone of tablet rond, steeds meer mensen doen hun aankopen op het internet en cyberveiligheid is een heikel punt dat niet uit de actualiteit te slaan is. Niet verwonderlijk dus dat er sinds enkele jaren in de Belgische regering een stoel voorzien is voor een minister van Digitale Agenda. In de regering-Michel I is die sinds oktober vorig jaar gereserveerd voor Alexander De Croo (Open VLD).

Hoe bevalt deze post u?

“Heel goed, dank u wel (lacht). Het is ook een bijzonder boeiende tijd wat digitale ontwikkelingen betreft, natuurlijk. Het mooie aan ‘Digitale Agenda’ is dat het ook over veel meer gaat dan enkel maar internet of smartphones. Het is een ongelooflijke economische opportuniteit, het gaat over een performante telecommarkt, cyberveiligheid, opleidingen, de digitalisering van de overheid,… Het is mijn taak om te zorgen dat België daar zo goed mogelijk in mee is.”

Hebben we die boot al niet voor een stukje gemist? E-commerce bijvoorbeeld is grotendeels een verhaal van buitenlandse aanbieders.
“Als je de vijf grootste aanbieders van e-commerce in ons land bekijkt, zijn vier daarvan buitenlandse bedrijven, dat klopt. Daar hebben we nog een achterstand goed te maken. Maar er zijn nog andere rollen die ons land kan opnemen. België zou één van de plaatsen moeten worden in Europa waar digitale innovatie plaatsvindt. Dat is een rol die we zeker aankunnen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar onze connectiviteit: onze vaste internetverbindingen zijn bij de beste van Europa en worden steeds beter. Op het gebied van mobiele breedband zijn we de achterstand heel snel aan het inhalen. Je hebt hier een hoge bevolkingsdichtheid, veel internationale instanties, goede opleidingen. De ingrediënten zijn er, nu moeten we zorgen voor resultaten.”

 

België zou één van de plaatsen moeten worden in Europa waar digitale innovatie plaatsvindt

 

Hoe komt het dat we daar zo lang in achtergebleven zijn?
“Kijk, digitale economie is natuurlijk veel meer dan webshops. Als je enkel webshops bekijkt, moet je toegeven dat de koopmansgeest van de Nederlanders ons heeft overtroffen, dat is zo. Maar het gaat om een disruptieve kracht die het potentieel heeft om alle sectoren op zijn kop te zetten. En dan is het zaak om als overheid de vinger aan de pols te houden om te kijken hoe je die nieuwe zakenmodellen gaat toelaten.”

Dan heeft u het over AirBnB en Uber en dat soort bedrijven.
“Bijvoorbeeld. Eén reflex zou kunnen zijn om dan te zeggen: ‘Dit past niet in onze regels, we gaan het verbieden’. Een ander uiterste zou kunnen zijn om hen helemaal géén regels op te leggen. Ik denk dat de waarheid zoals vaak in het midden ligt. Laten we kijken hoe we nieuwe diensten een kans kunnen geven, binnen een kader dat voor iedereen werkbaar is. Het is niet omdat het nieuw en digitaal is, dat het ook taksvrij of in het zwart moet gebeuren.”

Kunnen we in Europa op grotere schaal wel meespelen? Google, Twitter, Facebook,…alle big boys komen uit de V.S.
“Ja, dat hoor ik vaak, maar het is helemaal niet zo zwart-wit, hoor. Skype is van oorsprong een Europees bedrijf. Spotify is een Europees bedrijf. Storify is zelfs Belgisch. Oké, de grote giganten zijn Amerikaans, maar ook in Europa is er echt wel een behoorlijk levendige start-up scene. Ook in ons land is dat mogelijk.”

 

Oké, de grote giganten zijn Amerikaans, maar ook in Europa is er echt wel een behoorlijk levendige start-up scene

 

U zei zelf al dat onze infrastructuur een grote rol kan spelen in het uitbouwen onze digitale economie. Maar we zitten hier nog altijd de facto met twee duopolisten: Belgacom en Telenet. Is dat geen hinderpaal?
“Het feit dat we al twee infrastructuren, koper en kabel, hebben is al veel hoor, in veel landen is het maar één. En dat heeft er toe geleid dat de snelheden hier zeer hoog liggen. Europa stelt dat tegen 2020 100 procent van haar bevolking aan 30 megabit per seconde moet kunnen surfen en de helft tegen 100 megabit. Dat zijn snelheden die wij in België nu al halen. Ik woon in Brakel, niet bepaald het centrum van de wereld, en ik haal daar perfect 120 megabit per seconde. Mijn eigen doelstelling is dat tegen 2020 minstens de helft van de bevolking toegang heeft aan een snelheid van één gigabit per seconde.

Is dat nodig?
“Ja, dat is vaak de reactie: ‘Is dat niet overdreven?’ Of: ‘Wat gaan we daar mee doen?’. Om eerlijk te zijn: ik weet het niet. Maar ik weet wel zeker dat er tegen dan veel mensen zullen zijn met crazy ideeën die daar een toepassing voor zullen verzinnen. Vaak zal dat bij een crazy idee blijven, maar sommige zullen uitgroeien tot echte ondernemingen. Dus die investeringen in snelheid mogen we zeker niet afremmen. Moet we daarom vasthouden aan een duopolie? Niet noodzakelijk: de openstelling van het kabel- en kopernetwerk moet verder uitgebouwd worden, absoluut.”

Zullen de prijzen dan dalen?

“De bundels die we nu hebben zijn erg kwalitatief, maar aan de dure kant, dat klopt. Op de mobiele markt zijn de prijzen bij de laagste van Europa, daar zijn meer dan veertig spelers actief op drie netwerken. In de vaste markt moeten we dat ook zo krijgen: meer toegang voor verschillende spelers. Maar er beweegt toch al een en ander, met Mobistar bijvoorbeeld, die bekijkt om triple play aan te bieden, inclusief digitale TV.”

 

De ingrediënten zijn er, nu moeten we zorgen voor resultaten

 

Als we even naar de federale overheid zelf kijken: het ICT-budget daalt voor de derde keer op rij. Gaat de digitalisering daarmee niet op de lange baan komen?
“Ik heb natuurlijk altijd liever meer budget, maar we zitten nu eenmaal in een moeilijke budgettaire situatie. Het is wat het is. We hebben als overheid zeker een voortrekkersrol te spelen. Vanaf 2016 bijvoorbeeld schakelt de hele overheid over op e-facturering. Zo’n push heeft effect op de rest van de economie. We hebben ook zeer goede dingen al gedaan: TaxOnWeb of MyPension zijn zeer performante systemen. Alleen verwarren we availability nog te vaak met usability. Dat soort projecten moeten we nog meer vanuit het perspectief van de burger organiseren.”

Nog even over cyberveiligheid. Welke rol heeft de overheid daarin?
“We hebben daar zeker een rol in, bijvoorbeeld door te sensibiliseren. Als je in de fysieke wereld een sleutel op je deur laat zitten en er wordt ingebroken, dan noemt iedereen je een dommerik. In de digitale wereld gebeurt zoiets voortdurend. En daar moeten we bedrijven en burgers op wijzen. En dat mag al heel vroeg, wat mij betreft, in de schoolklassen zelfs.”